Home Politiek Greet Van Linter 30 maart 2006: Antwoord van Frank Vandenbroucke

30 maart 2006: Antwoord van Frank Vandenbroucke PDF Afdrukken
Antwoord Frank Vandenbroucke

Minister van Werk, Onderwijs en Vorming

Onderwijs:

Voor de werelddag ME- Fibromyalgie heb ik geen aparte specifieke beleidsinitiatieven genomen. Ik ben er van overtuigd dat de gezondheid van leerlingen en van mensen in het algemeen, een structurele en continue benadering vraagt. De problematiek van leerlingen met ME-Fibromyalgie en uiteraard ook deze van andere chronische ziekten is een blijvende zorg, die ik in mijn beleid heb vertaald naar aandacht voor twee pijlers: de wettelijke bepalingen en de inhoudelijke component. Ik zal beide aspecten kort toelichten.

1. Basisonderwijs

Wat de wettelijke bepalingen betreft, gaf artikel 34 van het decreet basisonderwijs aan leerplichtige zieke kinderen het recht op tijdelijk onderwijs aan huis. Dit betekent dat bij langdurige afwezigheid van een leerplichtige, de directie van de school waar betrokkene is ingeschreven verplicht is, op vraag van de ouders, tijdelijk onderwijs aan huis te organiseren. Die verplichting vervalt uiteraard voor de periode dat de betrokken leerling in een preventorium of in een ziekenhuis verblijft waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt. De regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis, bepaalt wat onder langdurige afwezigheid moet begrepen worden, hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren. Een afwezigheid van minder dan éénentwintig kalenderdagen is geen langdurige afwezigheid voor de toepassing van dit artikel. Deze laatste bepaling vormde een probleem voor chronisch zieken. Daarom werd in decreet XV van 15 juli 2005 aan dit artikel volgende toevoeging gedaan: “tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte”.

2. Secundair onderwijs

OD XV bepaalt voor het secundair onderwijs, naar analogie met het basisonderwijs het volgende:

- Onderwijs aan huis voor zieke jongeren:
Leerlingen voor wie het door ziekte of ongeval tijdelijk onmogelijk is om secundair onderwijs te volgen in hun school hebben recht op tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren. Bij langdurige afwezigheid van een leerling is de directie van de school waar deze leerling is ingeschreven, verplicht op vraag van de betrokken personen, tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren te organiseren. Die verplichting vervalt voor de periode dat de leerling in een preventorium of in een ziekenhuis verblijft waar onderwijs van type 5 gefinancierd of gesubsidieerd wordt of in een Dienst met onderwijsbehoeften.

De Vlaamse Regering legt de voorwaarden vast om in aanmerking te komen voor tijdelijk onderwijs aan huis voor zieke jongeren, bepaalt hoe het onderwijs aan huis georganiseerd wordt en welke vorm van hulp de school krijgt om het onderwijs aan huis te organiseren. De Vlaamse Regering bepaalt ook wat onder langdurige afwezigheid moet worden begrepen, met dien verstande dat een afwezigheid van minder dan 21 kalenderdagen geen langdurige afwezigheid is voor de toepassing van dit artikel, tenzij het gaat om een afwezigheid vanwege een chronische ziekte.

Leerlingen die voldoen aan de toelatingsvoorwaarden, maar voor wie het omwille van een handicap permanent onmogelijk is secundair onderwijs te volgen op school, hebben na gunstig advies van de CABO, recht op permanent onderwijs aan huis.

- Onderwijs op school voor zieke jongeren:
Voor leerlingen van het secundair onderwijs die wegens ziekte of ongeval het geheel van de vorming van een bepaald leerjaar niet binnen een schooljaar kunnen volgen, kan de klassenraad een spreiding van het lessenprogramma van een leerjaar over twee schooljaren toestaan.

Voor leerlingen van het secundair onderwijs die wegens ziekte of ongeval bepaalde vakken niet kunnen volgen, kan de klassenraad vrijstellingen toestaan op voorwaarde dat de leerlingen vervangende activiteiten volgen.
Dit zijn de voornaamste wettelijke bepalingen ten gunste van leerlingen met een chronische ziekte.

Even belangrijk in onderwijs zijn de inhoudelijke elementen.
De eindtermen die minimum doelstellingen vastleggen die elke leerling moet bereiken of nastreven bevatten ook elementen die te maken hebben met de houding tegenover zieke mensen.
Doorheen de onderwijsniveaus en in alle onderwijsvormen vinden we eindtermen die als aanknopingspunt fungeren om op regelmatige tijden leerlingen te leren omgaan met hun eigen ziekten of met zieke medeleerlingen.

Enkele voorbeelden:

- De kleuters:
  • kunnen bij zichzelf en bij anderen het verschil tussen ziek, gezond en gewond zijn herkennen
  • kunnen in concrete situaties gedragingen herkennen die bevorderlijk of schadelijk zijn voor hun gezondheid.
  • herkennen vormen van afwijzend of waarderend reageren op het anders-zijn van mensen.
- De leerlingen:
  • kunnen gezonde levensgewoonten in verband brengen met wat ze weten over het functioneren van het eigen lichaam en ze weten dat bepaalde ziekteverschijnselen of handicaps niet altijd kunnen worden vermeden.
  • kunnen voorbeelden geven van mogelijkheden die in onze samenleving bestaan voor de zorg en opvang van bejaarden en mensen met een handicap.
  • weten dat ze in het contact met mensen met een handicap attent moeten zijn voor de noden en verwachtingen van deze mensen.
  • kunnen zorg opbrengen voor iets of iemand anders.
  • kunnen hulp vragen en zich laten helpen.
  • verwerven inzicht in de structuren en het beleid die de gezondheids- en welzijnszorg ondersteunen.
  • participeren aan het gezondheids- en veiligheidsbeleid op school en in hun omgeving.

Zo ver kan ik als minister van onderwijs en vorming gaan. Het is nu aan de scholen om dit alles in praktijk te brengen. Ik weet dat scholen vaak een werelddag als 12 mei gebruiken om extra aandacht aan deze eindtermen te besteden.

Werk:

Binnen het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid worden geen specifieke acties opgezet naar aanleiding van de Werelddag ME-Fibromyalgie. Wel is het zo dat personen met een arbeidshandicap een van de prioritaire kansengroepen zijn binnen het beleid van evenredige arbeidsdeelname en diversiteit. Personen met een arbeidshandicap worden binnen dit beleid als volgt gedefinieerd: mensen met een aantasting van hun mentale, psychische, lichamelijke of zintuiglijke mogelijkheden, voor wie het uitzicht op het verwerven en behouden van een arbeidsplaats en op vooruitgang op die plaats, langdurig en in belangrijke mate beperkt is of bedreigd wordt. Mensen met een chronische aandoening als CVS vallen dan ook onder deze definitie.

In de praktijk betekent dit vooral dat in de helft van alle diversiteitsplannen (in 2005 waren dat er in totaal 440, in 2006 mikken we op minstens 530 diversiteitsplannen) specifieke aandacht besteed wordt aan mensen met een arbeidshandicap, waaronder veel mensen met chronische aandoeningen. De acties zijn er op gericht hen te laten instromen in de organisatie, en/of hen te laten doorstromen, en/of te laten deelnemen aan aangepaste opleidingen, en/of te verhinderen dat ze voortijdig uit de organisatie uitstromen. Dit laatste aandachtspunt (retentie) speelt ook in het bijzonder in de diversiteitsplannen die focussen op mensen met een chronische aandoening. Dat uit zich in acties zoals aanpassing van de werkpost, aanpassing van de werktijden, taaksplitsing of jobrotatie, taakherschikking, mogelijkheden tot deeltijdwerk en dergelijke.

Of deze acties in het verleden ook mensen met het chronisch vermoeidheidssyndroom bereikt hebben weten we niet. In het aanvraagformulier van het diversiteitsplan geeft de organisatie streefcijfers aan betreffende de instroom, doorstroom en/of opleiding van kansengroepen, opgesplitst per kansengroep. In de eindrapportage wordt dan aangegeven, ook weer per kansengroep, in welke mate de streefcijfers gerealiseerd werden.
We hebben echter geen gegevens over de samenstelling van de categorie personen met een arbeidshandicap.
We weten uit de verhalen van de projectontwikkelaars – de consulenten die als een van hun centrale opdrachten de begeleiding van diversiteitsplannen in ondernemingen hebben – dat in vele plannen mensen met chronische aandoeningen betrokken zijn; maar kwantificeren kunnen we niet.

We weten al helemaal niet of er zich bij de mensen met chronische aandoeningen ook CVS-patiënten bevinden. Volgende cijfers dienen dan ook louter als achtergrond. In 2002 ging het in alle diversiteitsplannen samen om volgende streefcijfers voor personen met een arbeidshandicap: 100 instroom, 25 doorstroom, 446 opleidingen.

Deze streefcijfers werden allemaal overtroffen: 138 instroom, 37 doorstroom, 630 opleidingen. De resultaten voor de volgende jaren kunnen we nog niet geven: vele plannen lopen nog en van de plannen 2003 (die ondertussen allemaal zijn afgerond) zijn nog een aantal eindrapporten niet toegestuurd of verwerkt. We kunnen dan ook alleen maar de streefcijfers geven: in 2003 ging het om 225 instroom, 150 doorstroom en 900 opleidingen; in 2004 om 212 instroom, 126 doorstroom, 1152 opleidingen; in 2005 om 464 instroom, 72 doorstroom en 514 opleidingen.

 

Nieuwsflits

Previous Next
CVS Contactgroep zoekt vrijwilligers

Lees meer...

Pijnlijn

078 159 160

Meer info...


Statistieken

Artikelen bekeken hits : 101838

© 2012 CVS Contactgroep VZW
Artikels en afbeeldingen mogen niet zonder toestemming van de auteur/maker worden verveelvoudigd op welke wijze dan ook.
Joomla! is Free Software released under the GNU/GPL License.